Samenvatting basisstof 1,
Wanneer er veel wrijving of druk op je huid komt te staan, ontstaat er een blaar. Het vocht dat zich onder het 'huidvliesje' bevind noemen we weefselvloeistof. Dit vloeistof bevind zich tussen de cellen van weefsels. Deze cellen produceren onder andere koolstofdioxide en andere soorten stoffen van afval, aan het weefselvloeistof geven ze deze stoffen weer af.
Je hebt in- en uitwendig milieu. Je inwendig milieu houd in je weefselvloeistof en je bloedplasma. En bij uitwendig milieu praten we over je omgeving rondom jezelf, maar hoe gek het ook klinkt het zijn ook je lucht in je longen en zelfs je darmkanaal. De stoffen die je binnenkrijgt word automatisch door je lichaam verwerkt op een bepaalde manier. De stoffen die bruikbaar zijn voor jouw voordelen worden in je lichaam opgenomen. Stel dat je een teveel van die stoffen binnenkrijgt, dan worden ze in je lichaam opgeslagen als een soort voorraad. maar wanneer er genoeg stoffen plaatsvinden dan worden de stoffen uitgescheiden als bijvoorbeeld ontlasting.
Voor het uitscheiden van deze stoffen zijn er bepaalde organen nodig voor het proces: lever, nieren en de beide longen.
Samenvatting basisstof 2,
Het lever is een belangrijk orgaan in je lichaam. Veel processen die van belang zijn gebeurd in het lever. Het zorgt er namelijk voor dat o.a. gal wordt aangemaakt voordat het naar de galblaas gaat, het breekt eiwitten af waar ureum bij vrijkomt, hij slaat glycogeen op e.t.c. Het bevindt zich aan de rechterzijde van je lichaam. De leverslag- en de poortader zijn de twee aanvoerende bloedvaten van het lever. De leverader die uit de holle ader komt is een afvoerende ader van het lever.
Basisstof 1 begrippen:
- Weefselvloeistof = de kleurloze vocht in een blaar.
- Inwendig milieu = het weefselvloeistof en het bloedplasma.
- Uitwendig milieu = de omgeving om je heen, de lucht in je longen en je darmkanaal.
- Opname = de stoffen die je lichaam opneemt zodat je inwendig milieu geen tekort krijgt.
- Opslaan = het vasthouden van stoffen, mochten er teveel binnenkomen.
- Uitscheiden = ervoor zorgen het teveel aan stoffen weer stabiel wordt.
Basisstof 2 begrippen:
- Leverslagader = een ader waar zuurstofrijkbloed naar de lever toe stroomt.
- Poortader = een ader waar zuurstofarmbloed naar de lever toe stroomt.
- Leverader = de ader waar bloed wegstroomt van de lever.
- Glycogeen = dient als energie opslag.
- Galbuis = de buis waardoor het gal naar de twaalfvingerige darm word gestuurd.
- Afvalstoffen = overbodige cellen zoals dode rodebloedcellen.
- Ureum = een giftige stof die ontstaat wanneer eiwitten worden afgebroken.
- Gifstoffen = alcohol, drugs, medicijnen die zich in het bloed bevinden.
- Hepatitus = een ontsteking van de lever door de hepatitusvirus.
Vragen basisstif 1 en 2