Pestbacterie (Raúl Galindo)

Klik hier om de ondertitel te bewerken

Samenvatting basisstof 6,


Als er een transplantatie wordt ondergaan, dan wordt (afhankelijk van de keuze van de patiënt) een aangetast stuk weefsel of orgaan vervangen. Wanneer een patiënt weefsel of organen van een donor krijgt, dan speel afstotingsreacties een grote rol. Het lichaam zien de eiwitten van het getransporteerde orgaan of weefsel als een lichaamsvreemde stof en maakt daardoor antistoffen aan. 

Wanneer een afweersysteem een lichaamseigen eiwit niet meer herkent maakt het lichaam ook daartegen antistoffen aan. De cellen die dan dat specifieke eiwit hebben worden dan afgemaakt. Dit proces heeft de naam 'auto-immuunziekte'. Een vorm van deze ziekte is bijvoorbeeld reuma. Door het afweersysteem raken gewrichten ontstoken.  


Op celmembranen van de rode bloedcellen kunnen stoffen zitten die als lichaamsvreemde stof worden ervaren terwijl die stof er helemaal niet is. Deze stoffen worden bloedfactoren genoemd. Bloedfactor A -en B zijn de bekendste bloedfactoren. Als je bloedfactor B hebt, dan zeggen de dat je de bloedgroep B hebt. Ook komt het voor dat mensen geen van beide bloedfactoren hebben dan word er gezegd (bloedgroep)O.


Mensen die bloedgroep A,B of O hebben hebben natuurlijk ook antistoffen. Als je bloedgroep A hebt, dan word jouw antistof weergegeven met 'anti-B' en bij bloedgroep B 'aniti-A', maar bij bloedgroep O heb je de antistoffen; anti A -en B.

Mocht iemand bloed nodig hebben doordat hij of zij misschien teveel bloed verloren heeft, dan kan dat gedaan worden met behulp van bloedtransfusies. Dit houdt in dat de donor bloed afstaat en dat dit bloed gebruikt wordt bij mensen die dit nodig hebben. Het is natuurlijk zo dat het afweersysteem van diegene het bloed als lichaamsvreemde stoffen ziet, dus daarom gebruikt men antistoffen om er achter te komen welke donor nou bij wie past. Bij een bloedtransfusie is het erg van belang dat je weet welke bloedtype iemand heeft, want het kan zijn dat het bloed zich in de haarvaten gaat samenklonteren en dat kan schadelijk gevolgen hebben voor de patiënt. Daarom word dit verdunt zodat de kans kleiner wordt. 


Door het aantal bloedgroepen zijn er een aantal te onderscheiden. Een van die bloedfactoren is de resusfactor. Als iemands bloed beschikt van de resusfactor dan is dit bloed resuspositief. En heeft die dat niet dan is het bloed resusnegatief. mensen met het bloed van resusnegatief kunnen antiresus aanmaken. Dit is een antistof tegen de resusfactor. 


Wanneer een moeder zwanger is kan het voorkomen dat er scheurtjes in de placenta ontstaan. Hierdoor kunnen in de bloedsomloop van de moeder, rode bloedcellen van het kind inkomen. De moeder maakt tegen de rode bloedcellen met de resusfactor antiresus aan. Dit heeft alleen gevolgen voor het kind als de moeder al kinderen heeft gehad waarbij dit ervoor is gebeurd. 

Na de bevalling gaat het proces van de aanmaak van antiresus gewoon door en heeft dit gevolgen voor het volgende kind. Mocht er een volgend kind komen die resuspositief is, dan kan het via de placenta in het bloedsomloop van dat kind terechtkomen. Hierdoor kunnen de rodebloedcellen samen gaan klonteren en uiteindelijk kapot gaan. Dit heeft grote kansen op hersen -en nierbeschadigingen. (dit word dan 'resuskind' genoemd) 


Men gebruikt drie testsera bij de bloedbepaling van een persoon:  

1.serum met anti-A

2.serum met anti-B

3.serum met anti-resus


Begrippen basisstof 6, 

- transplantatie = het vervangen van een orgaan of weefsel.

- donor = iemand die zijn of haar weefsel of orgaan doneert.

- afstotingsreactie = een reactie die met als bedoeling lichaamsvreemde stoffen afstoten.

- auto-immuunziekte = het afweersysteem maakt antistoffen aan met bedoeling, vreemde cellen te doden.

- bloedfactoren = stoffen die als lichaamsvreemde stoffen werken bij iemand die deze stof niet heeft.

- bloedgroep = de eigenschappen van je bloed.

-  anti-B = de persoon heeft dan de antistof tegen bloedfactor B.

- bloedtransfusie = het bloed word van de donor naar de patiënt gebracht.

- verwantschapsstudie = een studie waaruit moet blijken wie de perfecte donor is voor een patiënt.

- resusfactor = een van de vele bloedgroepen. 

- resuspositief = bloed die de resusfactor bezit.

- resusnegatief = bloed die geen resusfactor bezit. 

- antiresus = een antistof tegen het resusfactor. 

- resuskind = een kind dat door omstandigheden hersen -en nierbeschadigingen opgelopen heeft.

- bloedgroepbepaling = de tests die men aflegt om je bloedgroep te bepalen. 


Vragen basisstof 6, 

1.  Bij handeling 1 ontstaan GEEN / WEL antistoffen. Bij handeling 2 ontstaan GEEN / WEL antistoffen.

2. Hij heeft bloedgroep B.

3. Reva heeft: de afwezigheid van de immuniteit en de kinderen hebben allebei immuniteit tegen hepatitis. 

4. D